Wilhelm Reich
Fascisme en
massapsychologie
Geschreven:
1933
Bron: R-reeks (nr. 3), Uitgave
AU, Groningen
Vertaling: Waarschijnlijk “AU”
— zie ‘Verantwoording’ onderaan de tekst
Deze versie: Spelling aangepast
Transcriptie: Adrien Verlee
HTML: Adrien Verlee voor het
Marxists Internet Archive, oktober 2005
Inhoud
Leider en structuur van de
massa
Massapsychologie van het
kleinburgerdom
Ideologische
verburgerlijking van het proletariaat
Objectieve en subjectieve
functie van de ideologie
De onpolitieke mens
Als de
geschiedenis van het maatschappelijke proces de
burgerlijke historici de tijd geeft om over
enige decennia beschouwingen over het Duitse
verleden te produceren, dan zullen zij in
Hitlers succes in de jaren 1928-1933 het bewijs
zien dat slechts “de grote man” geschiedenis
maakt, en wel omdat deze de massa door zijn
ideeën doet ontvlammen, inderdaad is de
ideologie van de leider een grondbeginsel van de
nationaal-socialistische propaganda. Zo min als
de propagandisten van het nationaal-socialisme
het mechanisme van hun succes bekend is, zo min
begrijpen zij de historische grondslag van de
nationaal-socialistische beweging. Het is daarom
volkomen consequent dat de nationaal-socialist
Wilhelm Stapel in zijn geschrift Christendom
en nationaal-socialisme toentertijd
schreef:
“Aangezien het nationaal-socialisme een
elementaire beweging is, kan men niet met
“argumenten” aankomen. Argumenten zouden slechts
zin hebben als de beweging door argumenten groot
geworden was.”
Het zakelijke
niveau van de nationaal-socialistische
toespraken toonde duidelijk deze karakteristiek,
waarbij gespeeld werd op de gevoelens van de
massa en argumentatie zoveel mogelijk vermeden
werd. Hitler beklemtoont op verschillende
plaatsen in zijn boek Mein Kampf dat de
juiste massapsychologische tactiek van
argumentatie afziet en slechte het “grote
einddoel” onophoudelijk aan de massa moet
voorhouden. Hoe het er dan met het einddoel na
de greep naar de macht uitziet kan gemakkelijk
in het Italiaanse fascisme aangetoond worden,
evenzeer als de jongste uitlatingen van Göring
aan het adres van de economische organisaties
van de middenstand, het afzweren van de door de
aanhang verwachte “tweede revolutie”, het
onvervuld blijven van de beloofde socialistische
maatregelen, etc., reeds de eigenlijke,
objectieve functie van het fascisme onthullen.
Hoe weinig Hitler zèlf het mechanisme van zijn
succes kent, laten onderstaande regels zien:
“Alleen deze grote lijn, die nooit verlaten mag
worden, leidt bij steeds gelijkblijvende
consequente beklemtoning uiteindelijk tot
succes. Dan zal men echter met verbazing kunnen
vaststellen tot welke enorme bijna
onbegrijpelijke resultaten een dergelijke
consequentie leidt.” (Mein Kampf).
Hitlers succes
kan dus in geen geval uit zijn objectieve rol in
de geschiedenis van het kapitalisme verklaard
worden, want die zou, indien deze tot de inhoud
van de propaganda had behoord, het tegendeel van
het beoogde hebben bereikt. Het onderzoek naar
de massapsychologische werking van het fenomeen
Hitler moet van de premisse uitgaan dat een
leider of een vertegenwoordiger van een idee
slechts succes heeft (zo niet in historisch, dan
wel in een door de tijd begrensd perspectief),
als zijn persoonlijke kijk, zijn ideologie, zijn
program aanslaat bij de gemiddelde structuur van
een brede laag massa-individuen.
Dan doemt verder
de vraag op, aan welke historische en
sociologische situatie deze massastructuren hun
ontstaan te danken hebben. Zo wordt de
vraagstelling van de massapsychologie verlegd
van de metafysica naar de werkelijkheid van het
maatschappelijk leven. Alleen wanneer de
structuur van een leider samenvalt met de
massa-individuele structuren van brede
bevolkingslagen, kan een “leider” geschiedenis
maken. En of hij nu definitief of slechts
tijdelijk geschiedenis maakt, hangt alleen maar
af van het feit of zijn programma overeenstemt
met de richting waarin het maatschappelijke
proces zich ontwikkelt of zich ertegen afzet.
Het is daarom niet alleen verkeerd, maar zelfs
politiek misleidend, om Hitlers succes
uitsluitend te verklaren uit de nationalistische
demagogie met zijn “dom houden van de massa”,
met zijn “misleiding” of zelfs met het vage,
nietszeggende begrip “nazipsychologie”, zoals
zowaar communisten veelvuldig deden. Het komt er
thans op aan te begrijpen waarom de massa de
(objectief gezien) wezenlijke misleiding, het
dom houden en de psychotische situatie
accepteren. Dat wil zeggen, zonder een
zorgvuldige analyse van wat er in de massa
omgaat, kan men het probleem niet oplossen. Ook
niet met de verklaring van de objectieve rol van
de Hitlerbeweging in het historische proces.
Want zoals gezegd, is het succes van de NSDAP in
tegenspraak met deze rol. Een tegenspraak die
alleen massapsychologisch op te lossen is.
Het
nationaal-socialisme bediende zich tegenover de
verschillende objecten van zijn propaganda van
diverse middelen en deed, afhankelijk van de
bevolkingsgroep die het op het moment nodig had,
diverse beloften. Zo werd b.v. in het voorjaar
van 1933 het revolutionaire karakter van de
nazi-beweging in de propaganda benadrukt,
aangezien men de industrie-arbeiders wilde
winnen en werd de eerste mei gevierd nadat men
in Potsdam de adel tevreden gesteld had. Als men
daar echter uit zou willen afleiden dat het
succes slechts aan politiek bedrog toe te
schrijven valt, dan zou men als marxist met
zichzelf in tegenspraak raken en zou men
daardoor de sociale revolutie praktisch negeren.
De kernvraag is: waarom laat de massa zich
politiek bedriegen?
Ze hadden alle
mogelijkheden om de propaganda van de diverse
partijen te controleren. Waarom ontdekten zij
dan niet dat Hitler de arbeiders onteigening van
de productiemiddelen en tegelijkertijd de
kapitalisten bescherming tegen stakingen
beloofde?
Hitlers
karakterstructuur en zijn levensgeschiedenis
zijn voor een goed begrip van het
nationaal-socialisme van geen enkel belang. Het
is academisch alleszins interessant dat de
kleinburgerlijke herkomst van zijn ideeën en het
massapsychologische milieu van de structuren die
deze ideeën bereidwillig opnamen, in de
hoofdzaken met elkaar overeenstemmen.
Hitler steunt
zoals iedere fascistische beweging op de
verschillende lagen van het kleinburgerdom. Het
nationaal-socialisme legt daarmee alle
tegenstrijdigheden aan de dag, die kenmerkend
zijn voor de massapsychologie van het
kleinburgerdom. Het komt er slechts op aan om in
de eerste plaats deze tegenstrijdigheden in hun
ideologische context te begrijpen en in de
tweede plaats om de gemeenschappelijke herkomst
van deze tegenstrijdigheden uit de
productieverhoudingen van het imperialistische
kapitalisme te leren kennen.
We hebben gezegd
dat het succes van Hitler noch uit zijn
“persoonlijkheid”, noch uit de objectieve rol,
die zijn ideologie in het ontwrichte kapitalisme
speelt, te begrijpen is. Wij stelden centraal
wat de massa ertoe heeft bewogen om een partij
aan te hangen, waarvan de leiding objectief
zowel als subjectief slechts de belangen van het
grootkapitaal vertegenwoordigt.
Bij
beantwoording van die vraag kan allereerst
vastgesteld worden dat de
nationaal-socialistische beweging in haar eerste
succesvolle beginperiode op brede lagen van de
zogenaamde middenstand steunde, evenals op de
miljoenen bedrijfs- en rijksbeambten, de
middelgrote kooplieden en de middelgrote en
kleine boeren. Gezien vanuit zijn sociale basis
is het nationaal-socialisme een kleinburgerlijke
beweging, en wel overal waar het optreedt. Dit
kleinburgerdom, dat voorheen in het kamp van de
burgerlijk-democratische partijen te vinden was,
moest dus een innerlijke verandering doormaken
om van politieke plaats te wisselen. Uit de
sociale positie en de daarmee overeenkomstige
psychische structuur van het kleinburgerdom zijn
zowel de principiële gelijkheid als
verscheidenheid van de burgerlijk-liberale en de
nationaal-socialistische ideologieën te
verklaren. Het nationaal-socialistische
kleinburgerdom is het zelfde als het
kleinburgerlijke democratische liberalisme uit
een andere historische periode van het
kapitalisme. Het nationaal-socialisme betrok
zijn aanhang in de jaren 1930 tot 1932 bijna
uitsluitend uit de Duitsnationale partij, de
economische partij en de kleine splinterpartijen
van het Duitse rijk. Slechts de katholieke
centrumpartij handhaafde in de Pruisische
verkiezingen van 1932 zijn positie. Eerst bij de
Pruisische verkiezingen van 1932 gelukte het het
nationaal-socialisme om in de arbeidersmassa
door te dringen. Toch bleef als voorheen de
middenstand de stoottroep van het hakenkruis. In
de ernstigste economische ontwrichting van het
kapitalistische stelsel sinds zijn ontstaan trad
de middenstand in de gedaante van het
nationaal-socialisme op de politieke tribune en
vertraagde de revolutionaire ondergang van de
kapitalistische heerschappij. De politieke
reactie weet deze betekenis van het
kleinburgerdom zeer juist naar waarde te
schatten.
“De middenstand
is voor het bestaan van een staat van
beslissende betekenis”, heet het in een
Duitsnationaal vlugschrift van 8 april 1932.
Het vraagstuk
van de politieke betekenis van de middenstand
speelde na de 30e januari in de discussies van
links een grote rol. Tot die datum had men te
weinig aandacht geschonken aan de middenstand,
omdat alle belangstelling gericht was op de
ontwikkeling van de politieke reactie, van de
burgerlijke staatsregeling en de
massapsychologische vraagstelling vèr van de
politici lag.
Daarna begon men
van verschillende kanten “de opstand van de
middenstand” op de voorgrond te plaatsen. Als
men de discussie over dat vraagstuk voortzet kan
men vaststellen dat zich twee opvattingen
ontwikkeld hadden. De ene stond op het standpunt
dat het fascisme niets anders is dan de
partijgarde van de grootbourgeoisie; de andere
zag deze feiten niet over het hoofd, maar stelde
toch “de opstand van de middenstand” op de
voorgrond. Wat het verwijt opleverde dat de
vertegenwoordigers van die opvatting de
reactionaire rol van het fascisme uitwisten.
Daarbij beriep men zich op de benoeming van
Thyssen tot economie-dictator, op de opheffing
van economische middenstandsorganisaties, en op
het in de kiem smoren van de “tweede revolutie”,
kort na het vanaf ongeveer eind juni 1933 steeds
meer en openlijker optredende reactionaire
karakter van het fascisme.
Men kan een
aantal onduidelijkheden in de zeer heftige
discussie vaststellen: het feit dat het
nationaal-socialisme zich nadat het de macht
gegrepen had steeds meer als imperialistisch
nationalisme van het grootburgerdom ontpopte,
dat eerder ijverig bestreden was, en alle
“socialisme” in de beweging uitschakelde, en
verder dat het met alle middelen de oorlog
voorbereidde, niet in strijd is met het andere
feit dat het fascisme van zijn massa-basis
gezien inderdaad een middenstandsbeweging was.
Zonder de belofte de strijd tegen het
grootkapitaal te voeren, had Hitler de
middengroepen niet gewonnen. Zij hielpen hem aan
de overwinning omdat zij tegen het grootkapitaal
waren. Onder druk van hen moest de leiding
beginnen met antikapitalistische maatregelen,
zoals ze onder druk van de grote bourgeoisie
deze weer moest stop zetten. Wanneer men de
belangen van de massabasis van een politieke
beweging en de objectieve functie die in strijd
met elkaar zijn en in de nazi-beweging in de
eerste plaats met elkaar verenigd waren, niet
onderkent, praat men langs elkaar heen, omdat de
een de objectieve rol van het fascisme en de
ander de subjectieve belangen van de
fascistische massa bedoelt, als over fascisme
gesproken wordt.
Deze twee kanten
van het fascisme wortelen allebei in dezelfde
tegenstelling, evenals haar samengaan in die ene
vorm “nationaal-socialisme”, kenmerkend is voor
de Hitler-beweging. In zoverre het
nationaal-socialisme gedwongen was zijn karakter
als middenstandsbeweging te tonen ( voor de
greep naar de macht en kort daarna), is het
inderdaad antikapitalistisch; in zoverre het bij
het vestigen en vasthouden van de eenmaal
verworven macht — omdat het het grootkapitaal
niet van zijn rechten beroofde — zich steeds
meer van zijn antikapitalistische karakter
ontdoet en zijn kapitalistische functie steeds
openlijker toont, wordt het de meest extreme
voorvechter en versterker van de
grootkapitalistische economische ordening.
Daarbij is het volstrekt om het even of en
hoeveel leiders oprecht of onoprecht
“socialistisch” (volgens hun opvatting) gezind
zijn, even zomin of zij volksbedriegers en
usurpators zijn. Daarop kan men een grondige
antifascistische politiek niet baseren. Uit de
geschiedenis van het Italiaanse fascisme had men
inzicht kunnen verkrijgen in het Duitse fascisme
en zijn gespletenheid, want ook het Italiaanse
fascisme liet de beide genoemde, elkaar geheel
tegensprekende kanten of functies, die tot een
geheel verenigd zijn, zien.
[1]
Diegenen die de
massabasis-functie van het fascisme ontkennen of
niet voldoende onderkennen, staan als aan de
grond genageld bij het historische vooruitzicht
dat de middenstand, aangezien deze noch de
beschikking heeft over de belangrijkste
productiemiddelen, noch arbeid levert, op den
duur geen geschiedenis kan maken en tussen
bourgeoisie en proletariaat heen en weer moet
slingeren.
Voor het
merendeel zien zij echter het kleine historische
vooruitzicht over het hoofd dat de middenstand
dan wel niet definitief, maar wel in een
historische begrensde tijd “geschiedenis kan
maken” en die ook maakt, zoals het Italiaanse en
Duitse fascisme hebben aangetoond. Daarmee wordt
niet de vernietiging van de
arbeidersorganisaties, de ontelbare
slachtoffers, de terugval in de barbaarsheid
bedoeld, maar in de eerste plaats het
verhinderen dat de economische crisis tot
omwenteling van de maatschappij, tot sociale
revolutie, leidt. Het zal duidelijk zijn: hoe
groter de omvang van de middenklasse in een land
is, des te beslissender wordt haar betekenis als
een in de tijd begrensde, maar toch werkzame
maatschappelijke kracht. Op het ogenblik maken
we kennis met de historische paradox dat het
nationalistische fascisme in de westerse landen
het internationale communisme als internationale
beweging begint te overvleugelen.
Hiervoor de ogen
sluiten, illusies over het voortschrijden van de
revolutionaire beweging in verhouding tot de
reactie hebben, betekent het voorbereiden van
politieke zelfmoord, ook wanneer er de meest
zuivere motieven aan ten grondslag liggen. Dit
probleem verdient de allergrootste oplettendheid
en het zal volstrekt duidelijk zijn dat het
proces dat zich heden ten dage onder de
middenklassen van alle landen voltrekt, heel wat
meer aandacht verdient dan het bekende feit dat
het fascisme de meest uitgesproken economische
en politieke reactie inhoudt. Met alleen het
laatste kan men niets beginnen op politiek
gebied, wat de jaren 1928 — 1933 genoegzaam
bewezen hebben.
Wanneer de
middenstand in beweging komt en in de gestalte
van het fascisme als maatschappelijke kracht
voor het voetlicht der geschiedenis treedt, komt
het er minder op aan wat de reactionaire
bedoelingen van een Hitler of een Göring zijn,
als wel wat de belangen van de middenklassen
zijn. Dat een fascistische beweging bestaat is
zonder twijfel de maatschappelijke uitdrukking
van de angst van de grote bourgeoisie voor het
bolsjewisme in het tijdperk van een op handen
zijnde ondergang. Dat zo een fascistische
beweging echter tot een massabeweging uitgroeit,
zelfs aan de macht kan komen, waardoor de
objectieve functie het grootkapitaal te steunen
en de arbeidersbeweging neer te slaan vervuld
wordt, niet meer louter een vraagstuk van de
belangen van de grote bourgeoisie is, maar een
vraagstuk van de middenstandsmassabeweging die
dat mogelijk maakt.
Alleen wanneer
men met deze tegenstellingen en
tegenstrijdigheden rekening houdt kan men de met
elkaar in tegenspraak verkerende verschijnselen
begrijpen en zinloze discussies en
versplintering vermijden.
De positie van de
middenstand wordt bepaald:
- door zijn plaats in het kapitalistische
productieproces;
- door zijn plaats in het kapitalistische
staatsapparaat;
- door zijn bijzondere gezinssituatie;
rechtstreeks
veroorzaakt door de plaats in het
productieproces, maar de sleutel is tot goed
begrip van zijn ideologie. Dat is direct te zien
aan het feit dat de positie van de kleine
boeren, de employees en de middelgrote
kooplieden economisch verschillend is, maar dat
zij zich door een in hoofdzaken vergelijkbare
gezinsstructuur kenmerken. De snelle
ontwikkeling van de kapitalistische productieve
krachten, de gestaag voortschrijdende
mechanisering van de productie, het samengaan
van verschillende productietakken in
monopolistische syndicaten en trusts, zijn de
grondslagen voor de gestadige proletarisering
van kleinburgerlijke handelaars en
ambachtslieden. Niet opgewassen tegen de
goedkoper en rationeler werkende grootindustrie
zijn de kleine ondernemingen reddeloos verloren.
“De middenstand
heeft van dit systeem niets anders te verwachten
dan meedogenloze vernietiging. Daarom is het: of
allemaal verzinken in de grote, grijze, dode
massa van het proletariaat, waar ieder hetzelfde
heeft en wel niets, of de kracht en de ijver van
de enkeling weer in staat laten stellen om zich
door hard werken bezit te verwerven.
Middenstander of proleet! Daar gaat het thans
om!” schreeuwden de Duits-nationalen vòòr de
presidentsverkiezing van 1932. De
nationaal-socialisten schiepen in hun propaganda
niet botweg een kloof tussen middenstand en
proletariaat en hadden meer succes.
Ook in
propaganda van de NSDAP speelde de strijd tegen
de warenhuizen een grote rol. Maar de
tegenstelling tussen de rol die het
nationaal-socialisme voor de grootindustrie
speelde en de belangen van de middenstand,
waarop zij steunde, kwamen bijvoorbeeld in
Hitlers gesprek met Knickerbocker naar voren:
“Wij zullen de Duits-Amerikaanse verhoudingen
niet laten afhangen van een winkeltje (bedoeld
werd het gebeurde met Woolworth in Berlijn)...
het bestaan van dergelijke ondernemingen
betekent een aanmoediging van het bolsjewisme...
Zij vernietigen de bestaansmogelijkheden van
vele kleineren. Daarom kunnen wij hen niet
tolereren, maar u kunt er verzekerd van zijn dat
uw ondernemingen van dit slag in Duitsland niet
anders behandeld zullen worden dan vergelijkbare
Duitse ondernemingen.”
[2]
De buitenlandse
privé-schulden waren een kolossale belasting
voor de middenstand. Hoewel Hitler echter voor
betaling van privé-schulden was, maar op het
gebied van de politiek buitenlandse vorderingen
afwees, eisten zijn aanhangers de annulering van
deze schulden. Het kleinburgerdom rebelleerde
daarom “tegen het systeem”, waarmee het de
“marxistische heerschappij” van de
sociaal-democratie bedoelde. Ontoegankelijk was
het echter voor de werkelijke feiten.
Het begreep niet
dat het als maatschappelijke groep ten gevolge
van de ontwikkeling van de grootindustrie ten
ondergang gedoemd was, het was ontoegankelijk
voor het aantoonbare bewijs, dat het in het
communisme als groep of klasse ondergaat, maar
zeker zou zijn van zijn materieel bestaan,
hoewel in een andere vorm. Maar juist van die
andere vorm schrok het af.
Het begreep niet
dat het anders moest worden en de communistische
propaganda was niet in staat, nog afgezien van
de onderschatting van het kleinburgerdom, de
juiste vorm te vinden om het historisch lot
duidelijk genoeg uit te leggen.
Hoezeer deze
kleinburgerlijke massa in de crisis ook tot
georganiseerde aaneensluiting gedreven werd, de
economische concurrentie van de kleine
ondernemingen had toch zich tegen een gevoel van
solidariteit met het proletariaat
uitgekristalliseerd. Als gevolg van zijn sociale
positie kan de kleinburger zich noch met zijn
maatschappelijke klasse, noch met het
proletariaat solidariseren. Niet met zijn eigen
klasse, vanwege het primaat van de concurrentie,
niet met het industrieproletariaat omdat hij de
proletarisering het meest vreest. Desondanks
betekende de fascistische beweging gelijktijdig
een aaneensluiting van het kleinburgerdom. Op
welke massapsychologische grondslag?
Het antwoord
daarop geeft de positie van de kleine en
middelgrote ambtenaren en employees. De
gemiddelde beambte heeft het economisch slechter
dan de gemiddelde industriearbeider; die
slechtere positie wordt ten dele goedgemaakt
door het geringe vooruitzicht op een carrière,
voor alles bij de ambtenaren door de levenslange
verzorging. Door de afhankelijkheid van het
overheidsgezag ontwikkelt zich in deze groep een
psychologische concurrentiehouding ten opzichte
van collega’s die de groei van de
klassensolidariteit belemmert. Het
maatschappelijke bewustzijn van de beambten
wordt niet gekenmerkt door het bewustzijn van de
lotsgemeenschap met zijn medearbeiders, maar
door zijn plaats ten opzichte van het
staatsgezag en de “natie”. Deze bestaat uit een
volledige identificatie met de staatsmacht
[3], bij de employees in een identificatie
met de onderneming die gediend wordt. Hij wordt
net zo uitgebuit als de industriearbeider.
Waarom ontwikkelt hij geen solidariteitsgevoel
zoals zij? Dat komt door zijn positie tussen
overheid en proletariaat. Naar boven ondergaat
hij, naar beneden vertegenwoordigt hij de
overheid en geniet als zodanig een bijzondere
morele (geen materiële) tussenpositie. Helemaal
gerijpt vinden we dit massapsychologische type
bij de onderofficier.
De macht van
deze identificering met de opdrachtgever vinden
we in de meest krasse vorm bij adellijk
huispersoneel, dat zich door het overnemen van
houding, wijze van denken en optreden van de
heersende klasse volkomen verandert en, om de
proletarische afkomst te overstemmen, deze
manieren zelfs overdrijven. Deze identificering
met de autoriteit, met de onderneming, met de
staat, met de natie, en dergelijke, die
samengevat kan worden in de formule “De staat,
de onderneming, de natie, dat ben ik” maakt deel
uit van een psychische realiteit en is een der
beste voorbeelden van een tot materiële kracht
geworden ideologie.
Allereerst heeft
de employee en de ambtenaar het ideaal voor ogen
om net zo als de chef te zijn, totdat door de
chronische materiële afhankelijkheid de essentie
ten gunste van de heersende klasse verandert. De
blik vast naar boven gericht, ontwikkelt de
kleinburger een scheiding tussen zijn
economische positie en zijn ideologie. Hij leeft
onder moeilijke omstandigheden, maar naar buiten
treedt hij representatief op, tot in het
belachelijke overdrijvend. Hij eet slecht en
onvoldoende, maar hij hecht veel waarde aan
“nette kleding”. De hoge hoed en de pandjesjas
werden daarvan de symbolen. En voor een
massapsychologische beoordeling van de bevolking
is weinig in eerste instantie beter geschikt dan
een observatie van de kleding. Door de
“opwaartse gerichte blik” onderscheidt de
kleinburgerlijke structuur zich specifiek van de
klassenstructuur der industriearbeiders. Hoe
diep zit nu die identificatie met het gezag?
Dat die bestaat
was, hoewel anders geformuleerd, reeds bekend.
Het probleem is echter, of en op welke manier
buiten directe economische factoren, andere
indirect economische bepaalde, gevoelsmatige
omstandigheden een fundament vormen voor het
kleinburgerlijke gedrag en wel zo stevig dat de
kleinburgerlijke ideologie ook in tijden van
crises, ook in tijden waarin de werkloosheid de
directe economische basis vernietigt,
onwankelbaar is.
We zeiden eerder
dat de economische positie van de diverse
kleinburgerlijke groepen verschillen, hun
gezinssituatie in principe echter gelijk is. En
in deze gezinssituatie vinden we de sleutel tot
het gevoelsmatige fundament van de hiervoor
beschreven structuur.
Het fascisme
dringt van twee kanten de arbeiderskringen
binnen. Via het zogenaamde “lompenproletariaat”
(een uitdrukking waarbij de haren te berge
rijzen) met behulp van directe materiële
corrumpering en via de “arbeidersaristocratie”,
eveneens met behulp van materiële corrumpering,
als ook door ideologische beïnvloeding. Wanneer
gesproken wordt over misleiding van het
proletariaat, dan blijven toch een reeks
problemen onopgelost. Weliswaar belooft het
fascisme in zijn politieke scrupuleusheid ieder
het zijne: zo wordt bijvoorbeeld in een artikel
van dr. Jarmer Kapitalisme (“Angriff”,
24.9.31) gezegd:
“Hugenberg heeft zich op de Duitsnationale
partijdag in Stettin met verheugende
duidelijkheid tegen het internationale
kapitalisme gekeerd. Tegelijkertijd heeft hij
echter benadrukt dat een nationaal kapitalisme
noodzakelijk is.” “Daarmee heeft hij opnieuw de
scheidslijn tussen Duitsnationalen en
nationaal-socialisten getrokken: want die zijn
het er duidelijk over eens dat de thans op de
gehele wereld instortende kapitalistische
ordening van de economie door een andere
vervangen moet worden, omdat zelfs bij een
nationaal kapitalisme geen gerechtigheid kan
heersen”.
Dit klinkt bijna
communistisch. Hier appelleert de fascistische
propagandist met bewust bedrieglijke bedoelingen
aan het revolutionaire klassenbewustzijn van de
industriearbeiders. De grote vraag is echter,
waarom de nationaal-socialistische
industriearbeiders niet direct inzien dat het
fascisme ieder het zijne belooft. Zo is het
evenzeer bekend geworden dat Hitler met
grootindustriëlen onderhandelde, geld van hen
kreeg en stakingsverboden beloofde. Het moet aan
de psychologische structuur van de gemiddelde
arbeider liggen dat een dergelijke tegenspraak
hem niet te denken geeft en dat ondanks
intensieve opening van zaken door de
communisten. In een gesprek met de Amerikaanse
journalist Knickerbocker zei Hitler over het
probleem van de erkenning van buitenlandse
privé-schulden:
“Ik ben ervan overtuigd, dat de internationale
bankiers spoedig zullen inzien dat Duitsland
onder een nationaal-socialistische regering een
zo zekere belegging is, dat een rentevoet van
ongeveer 3 procent voor kredieten bereidwillig
toegestaan zal worden.”
Wanneer de
revolutionaire propaganda voor de beslissende
taak staat het rookgordijn rond het proletariaat
weg te nemen, dan kan dat eenvoudigweg niet
gebeuren door te appelleren aan zijn
onontwikkelde of onzuivere klassenbewustzijn,
ook niet alleen doordat men het de objectieve
economische en politieke positie voor ogen houdt
en zelfs niet doordat men het gepleegde bedrog
ter plaatse ontmaskert. De allereerste taak van
de revolutionaire propaganda is de grootst
mogelijke consideratie te betrachten met de
tegenstrijdigheden in de arbeider, met het feit
dat niet zoiets als een duidelijk
klassenbewustzijn met een rookgordijn bedekt is,
maar dat de het klassenbewustzijn vormende
elementen van de psychische structuur deels
onontwikkeld, deels doorspekt zijn met
tegenstrijdige kleinburgerlijke
structuurbestanddelen. Het daaruit destilleren
van het klassenbewustzijn van de grote massa is
wel de belangrijkste taak van de propaganda. In
tijden van “rustige” burgerlijke democratie
staan voor de werkende industriearbeider twee
principiële mogelijkheden open: de identificatie
met het ideologisch boven hem staand
kleinburgerdom of de identificatie met zijn
klasse, die reeds in het kapitalisme eigen
levensvormen ontwikkelt die tegengesteld zijn
aan de burgerlijke. Dat eerste betekent het
benijden van de kleinburger, hem nadoen en
indien de materiële mogelijkheden dat toelaten
zijn levensgewoonten geheel overnemen. Dat
tweede betekent deze ideologieën en
levensgewoonten van de kleinburger afwijzen,
zich van hem afwenden, neen zeggen en de eigen
levenswijze benadrukken en uitdragen. Als gevolg
van de tegelijkertijd inwerkende
maatschappelijke en klassenbepaalde
bestaanswijze zijn beide mogelijkheden even
groot, in ieder geval zijn ze er beide.
De
revolutionaire beweging heeft ook de betekenis
van de als bijzaak beschouwde alledaagse
gewoonten onjuist getaxeerd en heeft er zelfs
zeer vaak op een geheel verkeerde manier gebruik
van gemaakt. Het kleinburgerlijke
slaapkamerameublement, dat de proletariër zich
aanschaft, zodra hij daartoe de mogelijkheden
bezit, de daarbij behorende onderdrukking van de
vrouw, ook als hij communist is, de “nette”
zondagse kleding, de kleinburgerlijke dans en
duizend andere “kleinigheden” hebben door hun
chronische werking onvergelijkbaar meer
contrarevolutionaire invloed dan duizenden
redevoeringen en pamfletten kunnen goedmaken.
Het kleinburgerlijke leven werkt onafgebroken
door, dringt zich door iedere scheur in het
dagelijkse leven heen, terwijl het werk in de
fabrieken en het vlugschrift echter slechts een
paar uur uitwerking hebben. Daarom is het een
ernstige fout om, indien men rekening houdt met
de kleinburgerlijke instincten van de arbeiders
en men “om de massa te bereiken”
kleinburgerlijke feesten organiseert, niet
tezelfdertijd het kleinburgerlijk element buiten
werking te stellen en de ontluikende
proletarische levensvormen met alle middelen
naar voren brengen. Met alle propagandamiddelen.
De “avondjurk”
die een arbeidersvrouw voor een dergelijk
“feest” aantrekt, zegt meer over de psychologie
van de arbeider onder het kapitalisme dan
honderd artikelen. De avondjurk of het
gezamenlijke bier drinken is de externe
uitdrukking van een proces dat de betreffende
arbeider doormaakt, een teken dat hij in
principe open staat voor sociaal-democratische
of nationaal-socialistische propaganda. Wanneer
de fascist nu afschaffing van het proletariaat
belooft, en daarmee succes heeft, dan heeft in
90 van de 100 gevallen niet zijn economisch
programma, maar de avondkleding gewerkt. We
moeten veel meer op deze dingen van het
dagelijkse leven letten. Daaraan formeert zich
concreet het klassenbewustzijn of het tegendeel
ervan. En niet aan woorden en frasen, die
slechts tijdelijke geestdrift wekken.
Hier wacht
belangrijke en vruchtbare arbeid. Het
revolutionaire massawerk in Duitsland beperkte
zich bijna uitsluitend tot propaganda tegen de
honger. Zoals bleek was dit, hoewel het
belangrijkste argument, een te smalle basis. Het
leven van de massa-individuen speelt zich in
duizend en een gevallen achter de schermen af.
De jonge arbeider bijvoorbeeld heeft duizend
problemen van seksuele en culturele aard, die
hem beheersen zodra hij zijn honger een beetje
gestild heeft. De strijd tegen de honger moet
nummer een zijn, maar daarbij mag het niet
blijven. De schermen rond het menselijke leven
moeten weggerukt worden en zonder terughouding
in het scherpe voetlicht van het toneel, waar
wij tegelijkertijd toeschouwer en speler zijn,
gezet worden.
Dan zou
aangetoond worden dat het proletariaat reeds
onder het kapitalisme oneindig creatief was in
de pogingen zijn levensvormen en zienswijzen te
demonstreren.
Een
gedetailleerde, concrete, vakkundige behandeling
van deze vraagstukken is noodzakelijk. Het zal
de overwinning van de revolutie veilig stellen
en versnellen. Laat men niet met het loze
bezwaar komen dat dergelijke voorstellen slechts
een middel zijn om illusies te wekken, als of de
mens zich onder het kapitalisme zou kunnen
veranderen. Deze strijd om het begin van een
proletarische levenswijze te accentueren
betekent geenszins een-zich-schikken in het
kapitalisme, maar strijdbare afbakening tegen
het burgerlijke en strijdbare bevestiging van de
kiemen van een proletarische levenscultuur met
het doel de schaamte om proletariër te zijn
tegen te gaan. Want zo lang als het
kleinburgerlijke element in de arbeider het
klassenelement overtreft, zal hij ook moeilijk
tot revolutie en daarmee samenhangende
verhoudingen over te halen zijn. Ook om een
andere reden kan niet afgezien worden van deze
massapsychologische arbeid en propaganda.
De proletarische
schaamte die precies het tegendeel is van het
proletarische zelfbewustzijn en een kernelement
in de geneigdheid tot kleinburgerlijke imitatie
is, vormt ook die massapsychologische
beginselen, waarop het fascisme, zodra het zich
in de arbeidersbeweging begint in te dringen,
steunt. Het fascisme belooft afschaffing van de
klassen, dat wil zeggen afschaffing van het
proletariër zijn en daardoor slaat het aan bij
de kleinburgerlijke instelling van de arbeider.
Toen proletariërs van het platteland naar de
stad trokken brachten zij een boers-familiaire
ideologie mee, die, zoals reeds is aangetoond,
de beste voedingsbodem voor een imperialistisch-
nationalistische ideologie is. Daarbij komt nog
een ideologisch proces in de arbeidersbeweging,
waaraan tot dusverre bij de beoordeling van de
kansen van de revolutionaire beweging in de
landen met een lagere en die met een hogere
industriële ontwikkeling te weinig aandacht
geschonken is.
Toen Kautsky nog
niet zo diep gezonken was dat hij een woeste
hater van de revolutie werd, stelde hij vast dat
de arbeider in het hoog geïndustrialiseerde
Engeland politiek lager stond dan de arbeider in
het industrieel lagere Rusland (Sociale
Revolutie, 2e druk, pag. 59-60). De
politieke gebeurtenissen van de afgelopen 15 tot
20 jaar in de verschillende landen van de wereld
laten er geen twijfel over bestaan, dat in de
landen met een lage industriële ontwikkeling
zoals China en India, revolutionaire opstanden
gemakkelijker voorkwamen als in Engeland,
Amerika en Duitsland.
En dat ondanks
een geschoolde, van klassenbewustzijn vervulde,
georganiseerde, op een lange traditie
teruggrijpende arbeidersbeweging in de laatst
genoemde landen. Afgezien van de
bureaucratisering van de arbeidersbeweging, op
zich zelf een ziekteverschijnsel dat allereerst
uit de geschiedenis verklaard zou moeten worden,
dringt zich de vraag op naar de buitengewoon
sterke wortels van de sociaal-democratie en het
trade-unionisme in de westerse landen.
Massapsychologisch is de sociaal-democratie
gegrondvest op de kleinburgerlijke structuur van
zijn aanhang. Derhalve moet historisch de
verandering die het proletariaat in het
hoogkapitalisme doormaakt verklaart worden, en
wèl een zodanige verandering dat de
sociaal-democratische ideologie, ondanks de
fiasco’s van de sociaal-democratische politiek,
ondanks decennia lange herhaaldelijk aantoonbare
misleidingen, onaantastbaar blijft. Evenals bij
het fascisme ligt ook hier het probleem niet
zozeer bij de politiek van de partijleiding, als
wel bij de massapsychologische basis van de
arbeiders. In geen geval kan op deze plaats een
gedetailleerde analyse van deze betrekkingen
gegeven worden. Daarvoor ontbreken nog alle
voorwaarden. Ik wil slechts op enkele, naar mijn
mening zeer belangrijke feiten wijzen waardoor
de politici bij een nauwkeuriger bestudering
waarschijnlijk vele raadselen zouden kunnen
oplossen.
Deze feiten
zijn:
In het
vroegkapitalisme bestaat naast de scherpe
economische grens tussen bourgeoisie en
proletariaat een even scherpe ideologische, in
het bijzonder op het gebied van de moraal. Het
ontbreken van iedere vorm van sociale politiek,
de zenuwslopende zestien-, achttien- en
meer-urige werktijden, de lage levensstandaard
van de industriearbeider, zoals dat op klassieke
wijze in Engels De toestand van de
arbeidende klasse in Engeland beschreven
is, verhinderen ideologische assimilatie van het
proletariaat in de bourgeoisie. De burgerlijke
structuren zijn nauwelijks doorgedrongen en men
schikt zich deemoedig in zijn lot. De
massapsychologische stemming van het
proletariaat, de boeren inbegrepen, kenmerkt
zich door een indifferente zwakte. Omdat echter
burgerlijk denken ontbreekt, verhindert deze
zwakte niet dat opeens revolutionaire gevoelens
doorbreken, die zich tot onverwachte intensiteit
en geslotenheid kunnen ontwikkelen. In het
laatkapitalisme echter is het anders. Heeft de
georganiseerde arbeidersbeweging eenmaal
sociaal-politieke verworvenheden gebracht, zoals
beperkte werktijd, kiesrecht, sociale
verzekering, ed. , dan werkt dat eensdeels door
in versterking van de klasse; tegelijkertijd
treedt echter ook een tegengesteld proces in
werking: met de verhoging van de levensstandaard
treedt assimilatie, met de ontwikkeling van het
proletarische solidariteitsgevoel “een naar
boven gerichte blik” op. In tijden van welvaart
wordt deze verburgerlijking intensiever, om dan,
wanneer de crisis uitbreekt, alsnog als een
ernstige hinderpaal voor een verdere
ontwikkeling van klassengevoelens tot
revolutionair bewustzijn, door te werken. De
politiek onbegrijpelijke sterkte van de
sociaal-democratie in de crisisjaren is de
definitieve uiting van deze burgerlijke
besmetting van het proletariaat. Het komt er nu
op aan deze ook in de grondelementen te
begrijpen. Hier vallen twee feiten op: de
leidersbinding, d.w.z. het onwankelbare geloof
aan de onfeilbaarheid van een politieke leider
[4] (ondanks alle tegelijkertijd bestaande,
niet tot actie leidende kritiek) en de
seksueel-morele assimilatie met de kleine
bourgeoisie. Deze verburgerlijking wordt overal
door de grootbourgeoisie energiek bevorderd.
Werd er vroeger letterlijk met de knuppel
gezwaaid, thans houdt ze deze — waar het
fascisme nog geen overwinning heeft behaald — in
reserve, en gebruikt hem slechts tegen
klassenbewuste arbeiders. Voor de massa van
sociaal-democratische arbeiders heeft ze echter
een veel gevaarlijker middel: de alle gebieden
omvattende kleinburgerlijke ideologie.
In de
crisisperiode, die de sociaal-democratische
arbeider tot een koelie verlaagt, lijdt de
ontwikkeling van zijn klassenbewustzijn onder de
verburgerlijking. Hij blijft ondanks alle
kritiek en verzet in het kamp van de
sociaal-democratie of hij gaat twijfelend en
weifelend door de sterke tegenstelling tussen
revolutionaire en kleinburgerlijke gezindheid,
teleurgesteld in de leiding, een betere
vervanging zoekend, de weg van de minste
weerstand kiezend, naar de NSDAP. Het ligt aan
de juiste of verkeerde tactiek van de
revolutionaire partij of hij dan zijn neiging
laat varen en zijn werkelijke positie in het
kapitalistische productieproces gaat inzien. De
communistische bewering dat de
sociaal-democratische politiek het fascisme in
het zadel helpt, gaat niet alleen politiek,
maar, wat wezenlijk is, ook massapsychologisch
op.
Teleurgesteld in
de sociaal-democratie bij een gelijktijdig
werkende tegenstelling tussen “Verelendung” en
burgerlijk denken moet naar het kamp van het
fascisme voeren, als de revolutionaire partij
ernstige fouten maakt.
Zo begon in
Engeland na het fiasco van de politiek van
Labour rond 1930-31 een fascisering van de
arbeiders, die bij de verkiezingen van 1931 in
plaats van naar het communisme, naar rechts
afzwenkten. Ook het democratische Scandinavië
wordt door een dergelijke ontwikkeling ernstig
bedreigd.
Toen Rosa
Luxemburg de opvatting verkondigde dat met
“koelies” geen revolutionaire strijd mogelijk
is, kwam de vraag op welke koelies zij bedoelde:
de koelie vóór of na de verburgerlijking. Ervoor
bestaat een moeilijk te doorbreken zwakte, maar
tevens een groot talent om revolutionaire actie
te voeren; na de verburgerlijking hebben we een
ontgoochelde koelie voor ons. Zal hij niet
moeilijk tot revolutie aan te zetten zijn? Hoe
lang nog kan het fascisme de teleurstelling in
de sociaal-democratie plus zijn “opstand tegen
het systeem” ten eigen bate gebruiken. Hoe
moeilijk we deze vragen ook kunnen beantwoorden,
zeker is dat de internationale revolutionaire
strategie, wil zij de belangrijkste
aangrijpingspunten vaststellen, deze in acht
moet nemen.
De meest
veelvuldig voorkomende aanleiding tot
misverstanden over de relatie tussen een
ideologie en zijn historische functie biedt de
negatie van het onderscheid tussen objectieve en
subjectieve functie. De heersende klasse is
allereerst slechts te begrijpen vanuit de
economische basis waar zij uit voortkomt. Zo
staan de fascistische rassentheorieën en de
nationalistische ideologie in concrete
betrekking tot de imperialistische doeleinden
van de heersende klasse, die de moeilijkheden
van economische aard probeert op te lossen. Het
Duitse en Franse nationalisme uit de
wereldoorlog appelleerde telkens aan de
“nationale grootheid”, waarachter de economische
expansietendensen van het Duitse en Franse
grootkapitaal stonden. Maar deze economische
factoren maakten niet het substantiële van de
daaraan beantwoordende ideologie uit, maar
bepaalden slechts de historische en economische
bodem waarop deze ideologie zich ontwikkelen kon
en de voorwaarden waarvan de aanwezigheid voor
het ontstaan van een dergelijke ideologie
noodzakelijk is.
Toevallig is het
nationalisme objectief in het geheel niet
maatschappelijk (naar zijn inhoud)
vertegenwoordigd en nog minder met racistische
gezichtspunten in overeenstemming te brengen. In
het oude Oostenrijk-Hongarije viel het
nationalisme niet met het ras, maar met het
“vaderland” Oostenrijk-Hongarije samen. Toen
Bethmann Hollweg in 1914 het “Germanendom tegen
het slavendom” opriep, had hij logischerwijze
tegen Oostenrijk, een overwegend Slavische
staat, moeten optreden. De economische
voorwaarden van een ideologie verklaren dus
weliswaar zijn materiële basis en zijn objectief
historische rol, maar zij zeggen niets over de
subjectieve materiële kern, waaruit zo een
ideologie bestaat. Dat is het psychische
gereedschap van de mensen, die aan de
betreffende economische voorwaarden onderworpen
zijn en als zodanig de historisch-economische
grondslag in de ideologie reproduceren. Omdat
deze mensen ideologieën ontwikkelen, vormen zij
zich zelf om. In het
ideologie-ontwikkelingsproces kan men de
materiële kern ontdekken. De ideologie
verschijnt daardoor als een tweeledig materieel
gefundeerde: indirect door de economische
structuur van de maatschappij, direct door de
structuur van de haar producerende mensen, die
zelf weer door de economische structuur van de
maatschappij bepaald wordt.
De structuur van
de fascisten kenmerkt zich door metafysisch
denken, godsdienstigheid, onderworpenheid aan
abstracte, ethische idealen en geloof aan de
goddelijke bestemming van de “leider”.
Deze kenmerken
zijn verbonden met een dieper geworteld geloof,
dat zich op zijn beurt weer kenmerkt door een
sterke autoritaire binding aan een leidersideaal
of de natie. Het geloof aan een
“Herrenmenschentum” wordt niet alleen de
krachtigste drijfveer voor de binding van de
nationaal-socialistische massa aan de leider,
maar wordt tevens de psychologische basis voor
het zich scharen bij de aanhang. Daarnaast werkt
echter een intense identificering met de leider,
die de eigen onderwerping als lid van de massa
versluiert, doorslaggevend. Iedere
nationaal-socialist voelt zich in zijn
psychische afhankelijkheid een “kleine Hitler”.
Op de materiële grondslagen van deze
basishouding komt het thans echter aan. Er moet
gezocht worden naar de energetische, door
opvoeding en sociaal klimaat bepaalde functies,
die menselijke structuren dusdanig kunnen
omvormen, dat zich zulke reactionaire trekken
kunnen ontwikkelen, dat zij driftig om vrijheid
schreeuwend, de ketenen die hen omgelegd worden,
niet voelen en dat zij geheel geïdentificeerd
met de “leider” niet de smaad bemerken, die hem
met de betiteling “Untermenschen” aangedaan
wordt.
Als men zich
niet laat verblinden door de
wereldbeschouwelijke fraseologie, als men zich
uitsluitend richt op de affectieve inhoud en als
men in staat is deze in de juiste verhouding tot
het seksueel-ideologisch knooppunt van het
ideologievormingsproces te zien, dan valt direct
de stereotype gelijkheid van “rasvergiftiging”
en “bloedvergiftiging” op.
Daarmee komen we
tenslotte aan het vraagstuk van de zogenaamde
onpolitieke mens. Hitler heeft zijn macht niet
alleen van meet af aan door middel van weinig
gepolitiseerde massa’s gevestigd, maar ook zijn
laatste stap naar de overwinning door
mobilisering van niet minder dan 5 miljoen tot
dat moment niet-stemmers, dus onpolitieke,
legaal doorgevoerd. De linkse partijen hadden
zich ingespannen de onverschillige massa voor
zich te winnen, zonder zich bezig te houden met
de vraag wat nu eigenlijk “onverschillig of
onpolitiek” is. Wanneer de fabrieks- en
grondbezitter zich politiek duidelijk rechts
opstelt, dan is dat op grond van zijn
economische belangen zonder twijfel te
begrijpen. In zijn geval zou politieke
“linksheid” met zijn maatschappelijke situatie
in strijd zijn en zou alleen maar psychologisch
te verklaren zijn en wel op grond van
irrationele motieven. Wanneer de
industriearbeider links georiënteerd is, dan is
dat evenzeer rationeel gezien volkonen
consequent, want het komt voort uit zijn
economische en sociale positie.
Wanneer een
handarbeider, een kantoorbediende of een
ambtenaar politiek rechts gericht is, dan komt
dat voort uit politieke onduidelijkheid, dat wil
zeggen onbekendheid met de eigen sociale
positie. Hoe onpolitieker iemand uit de grote
massa werkers is; des te gemakkelijker zal hij
zich bekeren tot de ideologie van de politieke
reactie. Dit onpolitiek zijn is echter niet,
zoals men veelal denkt, een passieve psychische
toestand, maar een hoogst actieve stellingname,
een afweer tegen het politieke bewustzijn. Een
analyse van deze afweer tegen het politieke
bewustzijn en denken geeft duidelijke
resultaten, die vele duistere vragen over de
houding van de brede onpolitieke lagen van de
bevolking oplost.
Bij de
gemiddelde intellectueel die “niks met politiek
te maken wil hebben” zijn de overduidelijke
economische belangen en angsten vanwege het van
de opvattingen van de bourgeoisie afhankelijke
bestaan gemakkelijk aanwijsbaar.
Bij de mensen
die een bepaalde plaats in het productieproces
innemen en desondanks onpolitiek zijn, kan men
twee grote groepen onderscheiden. Bij de
vertegenwoordigers van de ene is het begrip
politiek geassocieerd met geweld en
levensgevaar, evenals met een hevige angst die
hen verhindert de werkelijkheid te zien. Bij de
anderen, die in de meerderheid zijn, berust het
onpolitiek zijn op het volledig gevangen zijn in
de situatie van persoonlijke conflicten en
zorgen, waaronder de seksuele frustratie, die de
existentie niet tot politieke consequentie laat
rijpen. Wanneer een jonge employee, die
economisch voldoende reden heeft om politiek
bewust te zijn, onpolitiek is dan is in 99 van
de 100 gevallen een “liefdesaffaire” er de
oorzaak van, om nog maar niet te spreken van een
totaal gevangen zijn in seksuele conflicten. Dat
geldt in gelijke mate voor de kleinburgerlijke
vrouw, die alle psychische kracht moet opbrengen
om haar seksuele situatie zodanig te beheersen
dat zij niet volkomen instort. Het communisme
heeft tot dusverre geen begrip gehad voor die
situatie en probeerde de onpolitieke mens te
politiseren door hem bewust te maken van zijn
economische belangen.
De praxis leert
dat de massa van onpolitieken, die nauwelijks
tot luisteren te bewegen is, zich gemakkelijk
tot de mythische frasen van een
nationaal-socialist wendt, zonder dat deze al te
veel over de economische belangen spreekt. Hoe
is dit te verklaren? Dat komt omdat de seksuele
conflicten (in de meest uitgebreide betekenis),
onverschillig of dit bewust of onbewust gebeurt,
het rationele denken in de richting van het
geheel en al rationele marxisme remmen, de
betrokkene machteloos en angstig maken en hem
psychisch verstrikken. Ontmoet hij nu iemand die
de middelen van geloof en mystiek hanteert, dus
een met seksuele en libidineuze middelen
werkende fascist, dan vertrouwt hij deze zijn
belangen toe; niet omdat hem het
nationaal-socialistische programma meer
imponeert als het communistische, maar omdat hij
in de overgave aan de leider en zijn ideologie
een ogenblikkelijke ontlading van zijn
innerlijke spanning ervaart, zijn conflicten
onbewust kan omvormen en daardoor kan oplossen.
Dat maakt het hem tegelijkertijd zelfs mogelijk
in de fascisten de communisten, in Hitler de
Duitse Lenin te zien.
Men hoeft geen
psycholoog te zijn om te kunnen begrijpen waarom
een in seksueel opzicht gefrustreerde
kleinburgerlijke vrouw, die nooit aan politiek
dacht, of een verkoopstertje, dat de weg naar de
moeilijke klassenpolitiek niet gevonden heeft
vanwege onvoldoend inzicht en een conflictrijk
seksueel leven, een zekere bevrediging vinden in
de erotisch aantrekkelijke uiterlijke vormen van
het nationaal-socialisme.
Men moet het
leven van die 5 miljoen kleinburgerlijke,
onpolitieke mensen, zoals het zich achter de
schermen afspeelt, kennen, om te begrijpen welke
rol het privé-leven, dat wil eigenlijk zeggen
het geslachtsleven, ongemerkt en ondergronds in
de grote politiek speelt. Het is niet
statistisch te registreren en wij zijn ook geen
bewonderaars van de statistische schijn
exactheid, die aan het werkelijke leven
voorbijgaat, want ondertussen veroverde Hitler
met zijn negatie van de statistiek en het
exploiteren van de seksuele ellende de macht.
De onpolitieke
mens is de in seksuele conflicten verstrikte
mens. Hem door het uitschakelen van de
seksualiteit te willen winnen, zoals vroeger
gebeurde, is niet alleen hopeloos, maar zelfs
het meest zekere middel om hem aan de politieke
reactie, die van zijn seksueel-sociale positie
schitterend gebruikt maakt, uit te leveren.
Hier is slechts
de andere weg mogelijk, namelijk die van de
politisering van zijn privé- en geslachtsleven.
Ik zou zelf ook
voor een dergelijke consequentie, hoe banaal ze
ook is, teruggeschrokken zijn en kan daarom
begrijpen dat de beroepseconomen en
beroepsstaatslieden een dergelijke opvatting
voor het product van een dor politiek onervaren
schrijfkamer-geleerd-denken houden. Dan zou het
echter aan te bevelen zijn eens een
seksueel-politieke bijeenkomst te bezoeken en
zich er van te overtuigen dat de overgrote
meerderheid gewoonlijk mensen zijn die tot dan
nooit of slechts zelden een politieke, laat
staan een communistische, vergadering bezochten,
of om er kennis van te nemen dat de
seksueel-politieke organisaties, bijvoorbeeld in
het westen van Duitsland overwegend
ongeorganiseerde en onpolitieke mensen,
omvatten.
En de
aanmatiging van zulke oordelen laat zich het
meest indrukwekkend bewijzen uit het feit dat de
internationale organisatie van het christendom
al eeuwenlang in het kleinste vlek ter wereld
ten minste één maal per week een
seksueel-politieke bijeenkomst (zoals zij die
opvat) organiseert, want in feite zijn de
zondagse kerkdiensten niets anders.
De verwaarlozing
of zelfs loochening van deze feiten, betekent
vandaag de dag, waar reeds bepaalde ervaringen
over seksueel-politieke arbeid en inzicht over
de betrekking tussen religie en seksuele
onderdrukking voorhanden zijn, een niet te
verontschuldigen, van het standpunt van de
proletarische beweging gezien reactionaire
ondersteuning van de heerschappij van de
geestelijke middeleeuwen en de economische
uitbuiting. Wij zijn bereid er alles aan te doen
om de proletarische economen en politici te
overtuigen dat hier noodzakelijke praxis voor
het grijpen ligt.
Wij kunnen
slechts hopen dat de meeste en belangrijksten
onder hen de vereiste soepelheid in het
beschouwen van de werkelijkheid bewaard hebben.
Verantwoording
Alle opgenomen
stukken zijn gekozen uit Massenpsychologie
des Faschismus (Zur Sexualoekonomie der
politischen Reaktion und zur proletarischen
Sexualpolitik). Voor de vertaling is
gebruik gemaakt van de tweede, uit 1934
daterende druk.
Leider en structuur van de massa. (Führer
und Massenstruktur; pag. 56 — 60)
Massapsychologie van het kleinburgerdom. (Zur
Massenpsyhologie des Kleinburgertums; pag.
65-77)
Ideologische verburgerlijking van het
proletariaat. (Ideologische Verbürgerlichung
des Proletariats; pag. 103-115
Objectieve en subjectieve functie van de
ideologie. (Objektive und subjektive
Funktion der Ideologie; pag. 121-123
De onpolitieke mens. (Der unpolitische
Mensch; pag. 271-277)
Voetnoten
[1] In de partijdiscussies van de
communisten heerste een grote strijd over de
vraag of fascisme een teken van versterking of
verzwakking van het kapitalisme is: een
mechanische vraagstelling, die onder andere de
revolutionaire linksen verdeelde en verzwakte.
Had men op de werkelijkheid, in plaats van op
congres thesen gelet, dan had men gemakkelijk
kunnen vaststellen: raakt het kapitalisme in
economische moeilijkheden, dan steunt het
nationalistische bewegingen — een teken van
zwakheid dus om de macht te kunnen handhaven;
gelukt het het fascisme groot te maken,
uiteindelijk aan de overwinning te helpen, dan
slaat de massabeweging als teken van zwakheid om
in een teken van kracht.
[2] Na de greep naar de macht in de maanden
maart-april ontstond een massale stormloop op de
warenhuizen, die door de NSDAP-leiding zeer snel
afgeremd werd (verbod van eigenmachtig ingrijpen
in de economie, opheffen van
middenstandsorganisaties, etc.).
[3] Onder “identificatie” verstaat de
psychoanalyse het feit dat een persoon zich met
een ander “een kan voelen”, eigenschappen en
gedrag overneemt die hij vroeger niet bezat, en
zich in zijn fantasie in een ander verplaatsen
kan. Aan dit proces ligt een feitelijke
verandering van de zich identificerende persoon
ten grondslag, aangezien hij eigenschappen van
het voorbeeld “in zich opneemt”.
[4] In de zomer van 1932 sprak ik na een
vergadering in Leipzig met een aantal
sociaal-democratische arbeiders die de
vergadering hadden bijgewoond over de politieke
situatie. Zij gebruikten alle argumenten tegen
de door de sociaal-democratie gepropageerde
democratische weg naar het socialisme en
onderscheiden zich nauwelijks van communistisch
gezinden. Ik vroeg toen waarom zij niet de
consequentie trokken en zich van hun leiders
losmaakten. Het antwoord was verbluffend, zó was
het in tegenspraak met de daarvoor geuite
mening: “onze leiders zullen toch wel weten wat
ze doen”.
Hier was de
tegenspraak, waarin de sociaal-democratische
arbeider verstrikt geraakt is, bijna tastbaar:
binding aan de leider, waardoor de bestaande
kritiek op zijn politiek niet tot actie leidt.
Men zal daarom beter de ernstige fout begrijpen
die men beging toen men de sociaal-democratische
arbeiders trachtte te winnen door hun leiding te
beschimpen. Aangezien hij zich met de leider
identificeerde, kon hij daardoor alleen maar
afgestoten worden.