Trauma en traumatische herinneringen
door O. van der Hart
Naar aanleiding van:
Wilson, J.P., en T.M. Keane (red.), Assessing psychological
trauma and PTSD. Guilford Press, Londen 1997, 577 p.
Hunt, L., M. Marshall en C. Rowlings (red.), Past trauma in
late life: European perspectives on therapeutic work with older
people.
Jessica Kingsley, Londen 1997, 237 p.
Ridder, T., en S. van der Veen (red.), Oorlogskinderen, toen
en nu.Stichting ICODO, Utrecht 1997, 96 p.
Hovens, J.E., en M. Kooyman (red.), Vluchtelingen en
psychotrauma.Van Gorcum, Assen 1997, 82 p.
Alpert, J.L. (red.), Sexual abuse recalled: Treating trauma
in the era of the recovered memory debate.
Jason Aronson, Londen 1995, 410 p.
De stroom van boeken en artikelen die direct of indirect op het
onderwerp psychotrauma betrekking hebben, is in recente jaren zo
toegenomen dat gemakkelijk aangenomen wordt dat adequate
diagnostiek en behandeling van getraumatiseerde patiënten
gemeengoed is geworden in de geestelijke gezondheidszorg. In de
praktijk blijkt dit echter fors tegen te vallen. Het is nog
maar al te vaak een kwestie van toeval of iemand de deskundige
hulp krijgt die bij dergelijke problematiek past. Dit is
vooral de trieste stand van zaken bij klachten en stoornissen
die gerelateerd zijn aan ernstige traumatisering in de jeugd.
Bij een eenvoudige posttraumatische stressstoornis naar
aanleiding van een enkelvoudig trauma op volwassen leeftijd is
de situatie waarschijnlijk stukken gunstiger.
Maar er is hoop. De hier te bespreken boeken vormen een weerslag
van wat er op tal van plaatsen, nationaal en internationaal, aan
ontwikkelingen gaande is, en ik verwacht dat hun publicatie ook
de praktijk elders ten gunste zal beïnvloeden. Maar zij kunnen
niet voorzien in de lacune van een gericht landelijk beleid met
betrekking tot de bevordering van passende hulp aan chronisch
getraumatiseerde psychiatrische patiënten.
Taxatie en diagnostiek
Een veel gehoorde kritiek op de hantering van de diagnostische
categorie posttraumatische stress-stoornis (PTSS) is dat zij,
vaak ten koste van andere traumagerelateerde stoornissen,
overbelicht wordt. Deze kritiek zou zeker van toepassing geacht
kunnen worden op Assessing psychological trauma and PTSD -Tijdschrift
voor Psychiatrie 39 (1997) 12 923, waarin het in elk hoofdstuk
gaat om het meten van de bij deze stoornis behorende klachten.
De flaptekst zegt wel dat het boek gaat over gestandaardiseerde
protocollen voor de taxatie van zowel de PTSS als de
dissociatieve stoornissen. Echter het ene hoofdstuk, van Marlene
Steinberg, dat is gewijd aan de taxatie van posttraumatische
dissociatie met behulp van de SCID-D, kan aan de diagnostiek van
dissociatieve stoornissen natuurlijk geen recht doen.
Maar anders bekeken: het boek laat op een indrukwekkende manier
zien hoeveel werk er al verricht is aan de ontwikkeling van
meetinstrumenten om PTSS en gerelateerde klachten in kaart te
brengen. Zoals dit boek aantoont, gaat het om zoveel
verschillende instrumenten dat Susan Solomon, bestuurslid van de
International Society of Traumatic Stress Studies, de hoop
uitspreekt dat het daarbij blijft en dat toekomstig
PTSS-onderzoek meer gericht zal zijn op de verfijning en
validering van bestaande instrumenten bij populaties die aan
uiteenlopende traumatiserende gebeurtenissen zijn blootgesteld.
In dit boek worden diverse vragenlijsten, klinische en
gestructureerde interviews en psychofysiologische
meetinstrumenten kritisch geanalyseerd, mede aan de hand van
bestaande onderzoeksgegevens. Enkele lijsten worden integraal
weergegeven, waarvan de uit tien items bestaande
‘Peritraumatic Dissociative Experiences Questionnaire’,
ontwikkeld door Marmar en collega’s, niet onvermeld mag blijven.
Diverse retrospectieve en prospectieve studies hebben aangetoond
dat de gerapporteerde mate van dissociëren tijdens een
traumatische ervaring de sterkste predictor is van een zich
daarna ontwikkelende PTSS. In het onderhavige boek wordt ook
uitvoerig aandacht besteed aan het in kaart brengen van
multiculturele en etnische dimensies en aan de rol van gender.
Verschillende hoofdstukken gaan in op kenmerken van
traumatisering bij specifieke populaties zoals militairen,
mensen die aan levensbedreigende ziektes lijden, en kinderen.
Dit boek, geschreven door de experts op de onderscheiden
terreinen, is een noodzakelijk naslagwerk voor trauma- en
PTSS-onderzoekers. Ik meen dat tal van hoofdstukken eveneens van
groot belang zijn voor hulpverleningsinstanties waar men ernst
wil maken met het in kaart brengen van trauma-gerelateerde
problematiek teneinde een op maat gesneden behandeling te kunnen
aanbieden. Maar, zoals gezegd, het ophebben van de PTSS-bril
kan ook tot te sterke blikvernauwing leiden.
Psychotrauma en ouderen
Onder de in het vorige boek genoemde specifieke populaties
ontbreken ouderen als een aparte groep. Dat is waarschijnlijk
tekenend voor de ontwikkeling van het traumaveld in het
algemeen: de ouderen komen er bekaaid af. Hierbij moet
overigens wel aangetekend worden dat O. van der Hart, de
Nederlandse onderzoekster Aarts en collega’s systematisch
uitstekend werk doen om in deze lacune te voorzien (zie Aarts en
Op den Velde 1996). Ook de redacteuren van Past trauma in
late life, drie Britse maatschappelijk werkenden, onder wie
een hoogleraar in het maatschappelijk werk, willen dit doel met
hun boek dienen. Hier valt op dat verschillende auteurs,
onder wie de Nederlandse psychiaters Schreuder en De Levita,
veel aandacht besteden aan de psychische gevolgen van
oorlogstrauma’s bij veteranen en burgers en aan de
traumatisering van holocaustoverlevenden. Hierdoor
realiseren we ons dat de aandacht voor getraumatiseerde oudere
mensen vaak – direct of indirect – aanwezig is in recente
verhandelingen over de psychische gevolgen van de Tweede
Wereldoorlog (zie Bramsen 1995).
Naast de aard van deze trauma’s van ouderen zijn er bij de
gevolgen daarvan voor hen en bij de hulpverlening specifieke
probleemgebieden die aandacht behoeven.
Zo’n gebied betreft de afnemende spankracht, waardoor men
minder in staat is het hoofd te bieden aan onverwerkte vroegere
ervaringen, een thema dat in dit boek uitvoerig aan de orde
komt.
De titel van Schreuders bijdrage, ‘Posttraumatisch
re-experience in old age: working through or covering up?’,
verwijst naar een central dilemma in de hulpverlening aan
getraumatiseerde oudere patiënten of cliënten. De teneur van dit
boek is dat deze mensen, in hun behoefte hun leven op een rijtje
te zetten, vaak meer baat hebben bij het praten over wat hun is
overkomen – niet alleen de oorlog maar ook seksueel misbruik of
verwaarlozing – dan aan het advies ‘het maar te vergeten’.
Het probleem waar zij zo vaak mee te kampen hebben, is dat er
niemand naar hen heeft willen luisteren. Ik maak graag
aparte melding van de ontroerende bijdrage van Miesen en Jones
over dementeren als nieuw trauma voor degenen wie dit treft en
als stoornis waardoor vroeger onverwerkt trauma aan de
oppervlakte komt.
Past trauma in late life
zou mijns inziens verplichte lectuur moeten zijn voor alle
hulpverleners in de ouderenzorg. Opdat het een zo ruim
mogelijk lezerspubliek bereikt, lijkt mij een Nederlandse
vertaling aangewezen.
Symposia
De informatieoverdracht over traumatisering en de gevolgen ervan
vindt voor een niet onaanzienlijk deel tijdens symposia plaats.
Recent verschenen twee bundels met de lezingen van dergelijke
conferenties.
Bij Oorlogskinderen, toen en nu gaat het om
het gelijknamige, in 1996 door het ICODO georganiseerde
symposium. Het bundelt kennis van enerzijds de
psychische gevolgen van de ellende die mensen als kind tijdens
de Tweede Wereldoorlog hebben ondervonden, en anderzijds de
problematiek van jonge vluchtingen die de laatste jaren naar
Nederland gekomen zijn. Het boekje bevat bijdragen van
wisselende omvang en Trauma en traumatische herinneringen
Tijdschrift voor Psychiatrie 39 (1997) 12 925 gehalte, waarbij
met name het eerste hoofdstuk (‘Traumatisering en
ontwikkelings-interferentie bij kinderen in en na de Tweede
Wereldoorlog’) van Han Groen-Prakken lof verdient.
De lange-termijnbehandeling van individuele en
gezinsproblematiek die de psychoanalyse te bieden heeft, is tot
haar recht gekomen bij de problematiek ten gevolge van de Tweede
Wereldoorlog. De Levita uit daarbij terechte kritiek op de
houding van de overheid, die als laat effect van een
oorlogstrauma bij kinderen uitsluitend PTSS-symptomen erkent.
Bij de behandeling van getraumatiseerde jeugdige vluchtelingen,
zoals door Guus van der Veer beschreven,
ligt het accent op een fasengerichte aanpak die door
steeds meer therapeuten van getraumatiseerde mensen wordt
toegepast.
De hantering van een dergelijk fasenmodel voor
behandeling wordt internationaal als de ‘standard of care’
gezien. Van der Veer bespreekt hierbij een aantal specifieke
moeilijkheden, kenmerkend voor deze doelgroep, en die liegen er
niet om.
Het boekje Vluchtelingen en psychotrauma
bevat de teksten van lezingen die gepresenteerd zijn tijdens het
gelijknamige symposium in 1996, georganiseerd door ‘De
Gelderse Roos’ en ‘Centrum ’45’.
In Nederland groeit het besef dat tal van vluchtelingen ernstig
getraumatiseerd zijn en dat therapie voor hen mede op
trauma-behandeling gericht moet zijn. Verschillende auteurs
wijzen er echter ook op dat een dergelijke gerichte
hulpverlening nog in de kinderschoenen staat en dat aan
methodiekontwikkeling en effectmeting nog bijzonder weinig is
gedaan.
Daarbij gaat van het politieke klimaat een extra remmende
werking uit.
Kooyman wijst terecht op het feit dat onzekerheid over een
vluchtelingenstatus of een verblijfsvergunning traumabehandeling
in de weg kan staan. Hoewel er in de diverse bijdragen
interessante informatie staat, lijdt dit boekje aan het voor
lezingen vaak onvermijdelijke euvel dat tal van essentiële
onderwerpen wel aangestipt maar nauwelijks uitgewerkt worden. Zo
valt in Hovens’ bijdrage over ‘De onmogelijkheid van het
vermijden van traumatische herinneringen’ op dat hij weliswaar
de fasering van PTSS-behandeling aanbeveelt maar daarbij beweert
dat er nauwelijks aandacht aan is besteed. Dat klopt niet: zie
bijvoorbeeld Brown, Scheflin en Hammond (1997) voor een grondige
bespreking van de uitgebreide literatuur over dit onderwerp.
Voorts verwijst hij in de discussie over het voorkomen van
amnesie voor traumatische ervaringen slechts naar auteurs die
juist niet gespecialiseerd zijn op het terrein van traumatische
herinneringen. Zo geeft dit boekje aan dat er inderdaad nog veel
geleerd moet worden.Lezing van beide bundels leidt tot de
conclusie dat er in ons land op het terrein van hulpverlening
voor getraumatiseerde oorlogsgetroffenen en vluchtelingen – deze
aanduidingen zijn in veel gevallen synoniem – veel gaande is.
Maar ook al wordt met deze uitgaven getracht de kennis te
bundelen, opvallend is toch de versnippering van
praktijkervaring, methodiekontwikkeling en theoretische kennis.
Aan onderzoek met O. van der Hart betrekking tot
getraumatiseerde vluchtelingen is men nog nauwelijks toegekomen.
Misschien is de tijd rijp voor de ontwikkeling van een handboek
op dit terrein, waarvoor dan alle krachten gebundeld worden.
Traumatische herinneringen
Sedert een aantal jaren woedt in verschillende landen, de
Verenigde Staten voorop, een discussie – die soms het karakter
van een regelrechte oorlog heeft – omtrent het waarheidsgehalte
van ‘hervonden’ herinneringen aan trauma,
in het bijzonder seksueel misbruik in de vroege jeugd.
Zoals te verwachten, is in de media vooral aandacht besteed aan
extreme standpunten:
enerzijds de naïeve hulpverleners die hebben gemeend dat
dergelijke herinneringen zonder meer op waarheid berusten
(waarop allerwegen afwijzend wordt gereageerd), en anderzijds de
beschuldigde ouders en de wetenschappers aan hun kant volgens
wie hervonden herinneringen per definitie fictieve herinneringen
zijn.
Het laatste standpunt, dat psychogene (of dissociatieve) amnesie
voor trauma niet zou bestaan, heeft het korte tijd goed gedaan
in de media. Diverse wetenschappers echter zijn in staat geweest
nuances aan te brengen. Gelukkig wordt nu van verschillende
kanten gestreefd naar het vinden van een soort overkoepelende
visie, waarin schijnbaar tegenstrijdige argumenten en
bevindingen tot hun recht kunnen komen.
Een genuanceerde en evenwichtige bijdrage aan deze discussie en
een belangrijke bron voor deskundigheidsbevordering op dit
terrein wordt geboden door het boek Sexual abuse recalled.
De auteurs zijn psychoanalytisc en psychodynamisch georiënteerde
psychotherapeuten, die allen zeer ervaren zijn in de behandeling
van patiënten met mogelijke herinneringen aan seksueel misbruik
in de jeugd. Zij zijn ook grondig geïnformeerd over gerelateerde
onderzoeksgebieden en de toepasbaarheid van de aldaar verkregen
resultaten op het onderhavige gebied. In het laatste hoofdstuk
laat Judith Alpert, de redacteur van dit boek, aan de hand van
een verscheidenheid aan casuïstiek zien om wat voor complexe
materie het in de praktijk gaat (en hoe gemakkelijk een
vooringenomen standpunt deze complexiteit geweld aandoet).
Sexual abuse recalled
is een zeer aan te bevelen boek voor oprecht geïnteresseerde
clinici en onderzoekers die de uitdaging van een zorgvuldige
bestudering van dit zo beladen en complexe onderwerp aan willen
gaan.
Literatuur
Aarts, P., en W. Op den Velde (1996), Prior traumatization and
the process of aging: Theory and clinical implications.
In: B.A. van der Kolk e.a. (red.), Traumatic stress.
Guilford Press, New York, p. 359-377.
Bramsen, I. (1995), The long term psychological adjustment of
World War II survivors in the
Trauma en traumatische herinneringen Tijdschrift voor
Psychiatrie 39 (1997) 12 927
Netherlands.
Eburon, Delft.
Brown, D., A.W. Scheflin en D.C. Hammond (1997), Memory,
trauma treatment, and the law. Norton, New York.
Correspondentieadres van de auteur: prof. dr. O. van der Hart,
Riagg Z/NW, Oldenaller 1, 1081 HJ Amsterdam.
O. van der Hart